| Aantekeningen |
- Uit het volgende blijkt dat zij tot een tak van de familie Egmond behoort: Op de eerste plaats is haar man en later ook haar zoon rentmeester van de abdij van Egmond.
Daarnaast blijkt één van hun kleinkinderen het van Egmondwapen te voeren en wel Jacob Willemsz. van Dorp, schepen en burgemeester van ‘s-Gravenhage.
Hij zegelt met een gevierendeeld wapen, waarvan het eerste en vierde kwartier het familiewapen weergeven, nl. in zwart drie rood getongde zilveren leeuwekoppen.
Het derde kwartier in goud een zwarte dwarsbalk en een in twee rijen van rood en zilver geschaakt Sint Andrieskruis over alles heen (Van IJsselsteijn).
Het tweede kwartier geeft het Van Egmondwapen weer: gekeperd van goud en rood van twaalf stukken.
Op 12 september 1515 bevestigen de weesmeesters van Den Haag de uitkoop van Alijt Jansdr.
door haar vader Coeman Jan Bruijnsz. volgens de uitkoopceel d.d. 12 januari 1507: ‘heeft Coe-
man Jan Bruynsz. bewezen zijn dochter Alijt Jansdochter, oud ca. 11 jaar, gewonnen bij Ariaen
Jacobsdr. zijn geëchte wijf de som van 50 pond groot boven de kleren, verzekerd op zijn huis op
de Voldersgraf met Ghijsbert van Egmont als borg’. Getuigen waren Cornelis Jansz., de broer
van het kind van vaders- en moederszijde, Geertruijt Jacobsdochter als tante van moederskant
en van Mees Heinricxz. als (vaders) zwager. In 1515 waren aanwezig: Mees Pietersz., Mees
Heijnricxz. als voogd, Godsscalck Oem en broer Cornelis Jansz.
6
Volgens Van Kan is Coman Jan Bruijnsz. vermoedelijk identiek aan Jan Bruunsz., schepen
1530/31, 1531/32, weesmeester 1515, 1520, overleden 1540, zoon van Bruun Albrechtsz. Zijn
dochter Alijd Coman Jan Brunendr. is (voor 9-7-1514) getrouwd met Adriaen Jacobsz. De re-
gistratie van de uitkoopcedul had kennelijk te maken met dit huwelijk.
Mees Heijnricxz. wordt de zwager van Jan Bruijnsz. genoemd. Hoe interpreteren we hier het
woord zwager? De betekenis als schoonzoon gaat hier niet op, enerzijds omdat Jan Bruijnsz.
en Mees Heijnricxz. generatiegenoten zijn terwijl bovendien Mees in 1507 nog getrouwd is
met Baertgen. De enige overblijvende optie wijst naar de overleden moeder van het weeskind,
Ariaen(tgen) Jacobsdr. die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een zus was van
Baertgen Jacobsdr. Het zal dan ook geen toeval zijn dat een van de dochters van Mees en Baert-
gen Adriaentgen werd genoemd.
De afkomst van Baertgen was al eerder onderwerp van gesprek. Daarbij speelde het wapen van
haar kleinzoon, Jacob Willemsz. van Dorp (VIc.), schepen en burgemeester van Den Haag, een
belangrijke rol. Hij voerde een gevierendeeld wapen: het eerste en vierde kwartier: in zwart drie
rood getongde zilveren leeuwenkoppen (Uterliere), het tweede kwartier: gekeperd van goud en
rood van twaalf stukken (Egmond) en het derde kwartier: in goud een zwarte dwarsbalk en een
in twee rijen van rood en zilver geschaakt Sint Andrieskruis over alles heen (IJsselstein). Zijn
oomzegger Willem Jansz. van Dorp (VIIc.) voerde dit wapen in een iets gewijzigde vorm: I en
IV: Uterliere, II en III: Egmond, met IJsselstein als hartschild.
7
Deze wapens laten zien dat Jacob Willemsz. en neef Willem Jansz. stamden (of in ieder geval pretendeerden te stammen)
uit de IJsselsteinse tak van Egmond. Er zijn geen aanwijzingen dat die afstamming zou lopen via Jacobs
moeder, maar met het optreden van Ghijsbert van Egmont komt de mogelijke afstamming van
Baertgen uit Egmond / IJsselstein in beeld. Volgens de uitkoopcedul is hij borg voor Jan Bruijnsz.
De kans daarom groot dat hij op de een of andere manier tot diens (schoon-)familie behoort.
Deze Gijsbert kunnen we identificeren als een bastaard van Pieter van Egmond (zelf ook bas-
taard), richter van de Veluwe (vermeld 1425-1473). Weliswaar was Pieter later getrouwd met
de moeder van Gijsbert, maar omdat die nog ten tijde van Pieters eerste huwelijk, dus in overspel,
was verwekt, lag een legitimatie niet voor de hand. Niettemin slaagde Gijsbert, op latere
leeftijd, er op 30 augustus 1518 alsnog in zich te laten legitimeren. In deze tak van de Egmonds
komt de naam Beerte (Baertgen) voor, evenals Willem (een van de zoons van Mees en Baertgen
heette ook zo), maar géén Jacob die zou kunnen doorgaan voor de vader van de drie zusters. We
moeten ons daarbij realiseren dat de beschikbare bronnen uit die periode, ook ten aanzien van
adellijke bastaards, uiterst schaars zijn. Bovendien dienen we niet uit te sluiten dat de afstam-
ming ook kan lopen via de onbekende moeder van de drie Jacobsdochters.
|